Etikettering: ja of nee?

ADHD, ADD, ASS, HSP, laagbegaafd, hoogbegaafd, normaalbegaafd, dyslexie, dyscalculie, dysorthografie, enzovoort enzovoort. Het lijkt wel alsof we voor alles een naam hebben bedacht. Er zijn mensen die dit betuttelend vinden, die vinden dat het excuses zijn voor het feit dat een kind/jongere/volwassene niet mee kan draaien in het systeem. Anderen vinden het reducerend dat mensen zo’n etiket krijgen opgeplakt, alsof ze gedefinieerd worden door het label dat ze gekregen hebben. Ikzelf geloof in de meerwaarde van die diagnoses.

Stel je voor: na bijna elke maaltijd word je ziek. Je krijgt buikkrampen en moet even gaan liggen tot wanneer het ergste weer voorbij is. Het gebeurt niet na elke maaltijd en je kan er zelf geen logica in ontdekken. Je besluit naar een dokter te gaan en na een hele hoop onderzoeken komt het antwoord: coeliakie of glutenallergie. Je krijgt richtlijnen mee voor een aangepast dieet en kan op die manier opnieuw genieten van elke maaltijd. Via de diagnose kwam je dus te weten waar je gevoelig aan was en hoe je leert omgaan met die gevoeligheden. Een goede zaak, toch?

Wel, hetzelfde geldt voor de psychodiagnostiek. Een ‘etiketje’ kan iemand bewust maken van zijn sterktes en zwaktes en kan hem of haar leren daar mee om te gaan. Maar ik begrijp waarom het zo moeilijk ligt. Als we voor alles een naam hebben, waar ligt dan de norm? Het antwoord lijkt zo voor de hand liggend: er is geen f*cking norm. Mensen verschillen van elkaar en die verschillen zijn nu niet groter dan vroeger. Ik geloof uiteraard wel dat onze maatschappij in die mate is veranderd dat die differenties nu duidelijker aanwezig kunnen zijn, maar met of zonder labels: mensen verschillen van elkaar. Elke klasgroep bestaat uit rekenknobbels, kunstenaars, schrijftalenten, sporthelden, stille luisteraars, vlotte babbelaars, snelle lezers enzovoort. Het feit dat we al die verschillen nu effectief gaan benoemen met wetenschappelijke namen bevestigd alleen maar het feit dat het merendeel van de bevolking op een of andere manier afwijkt van ‘de norm’. En als er meer mensen zijn die afwijken van de norm dan dat er ‘normale’ mensen zijn, dan is het duidelijk: er is geen norm meer.

Dankzij een diagnose leert een individu waar zijn of haar gevoeligheden liggen en hoe hij of zij die gevoeligheden in het leven incorporeert. Zelfkennis is het begin van alle wijsheid, toch? Maar hoe moet ‘het systeem’ functioneren met zoveel ‘afwijkingen’? Differentiëren natuurlijk! Loskomen van de norm. Niet willen dat mensen voldoen aan de verwachtingen, wel werken met de realiteit die we voor ons hebben.

Als judotrainer geef ik bijvoorbeeld training aan een heel gevarieerde groep kinderen. Sommigen hebben misschien ontwikkelingsachterstanden of – voorsprongen, concentratiestoornissen, motorische beperkingen, ontwikkelingsproblemen of andere mooie woorden, maar de realiteit is simpel: elk kind groeit op zijn eigen manier. Als trainer moet ik daarmee kunnen werken. En dat lukt. Kinderen met veel energie krijgen extra opdrachten, kinderen die vlot weg zijn met een oefening worden sneller uitgedaagd iets nieuws te leren. Kinderen die meer tijd nodig hebben om een oefening te begrijpen worden geholpen door de opdracht in kleinere stappen op te delen, terwijl anderen dan weer meer vooruitgang boeken door zelf op onderzoek te gaan. Op die manier streeft iedereen naar groei op zijn of haar tempo, op zijn of haar manier. Geloof ik dat zoiets kan buiten de judomat? Ja. Maar misschien ben ik een idealist.

Etikettering zorgt dus enerzijds voor zelfkennis en anderzijds dwingt het de omgeving om los te komen van de norm en te werken met de realiteit die voor handen is. Een positieve zaak dus. Moeten we dan iedereen gaan diagnosticeren? Hell no. Laten we als uitgangspunt nemen dat iedereen sterktes en zwaktes heeft, dat iedereen te weten kan komen wat die sterktes en zwaktes zijn en dat iedereen mag leren hoe hij/zij daar mee kan leven. De diagnoses zijn er voor die mensen die voortdurend op dezelfde problemen stuiten , zoals de buikpijn na het eten van gluten.

Van luxepaard naar basic bitch

Ik beschrijf mezelf altijd als een luxepaard. Ik ben heel erg gesteld op mijn spullen en hecht veel belang aan ruimtelijke esthetiek. Ik heb nood aan ruimte, luxueuze eenvoud en mooie spullen. Daarnaast heb ik sinds ik mijn rijbewijs behaalde twee jaar geleden altijd de luxe gehad om de auto van mijn ouders te gebruiken voor mijn vele activiteiten en tegelijkertijd kon ik ook steeds gebruik maken van een elektrische fiets. Ik woonde in een mooi huis met een grote tuin. Ik had de financiële mogelijkheden om fijne dingen te doen met vrienden en af en toe iets nieuws te kopen voor mezelf. Ik had geen zorgen – behalve dan die rommel in mijn hoofd.

Maar al een tweetal jaar groeit er ook een soort pijnlijk besef in mij. Al die spullen, al die luxe, al dat comfort, draagt dat bij tot mijn geluk? Toen ik een jaar geleden de documentaire Minimalism: a Documentary About the Important Things bekeek op Netflix, ging mijn hele lijf juichen. Dat was wat ik wilde: eenvoud! Sinds die dag koester ik de droom om al mijn spullen te reduceren tot die dingen die een waardevolle bijdrage leveren aan mijn leven en om uiteindelijk in een tiny house te gaan wonen.

Ik ben nu drieëntwintig. Afgestudeerd en werkzoekend. Al verschillende keren kwam het in me op om op mezelf te gaan wonen, maar nooit waagde ik de sprong. Ik zag niet in hoe ik dat moest gaan aanpakken. Zonder auto, zonder elektrische fiets, zonder zoveel ruimte, zonder dat dagelijkse comfort. Er was altijd een praktische reden waarom ik niet op mezelf zou gaan wonen. Ik ben graag thuis. Maar het comfort maakte me niet gelukkig. Ik keek opnieuw naar de documentaire over minimalisme en… ik sprong.

Sinds een aantal dagen woon ik bij een vriend. In mijn tas enkel voldoende onderbroeken en een set zomerkleren, een set ‘mooie’ kleren en een pyjama. Verder nog mijn laptop, notitieboek en schetsboek met pen en potlood. Ik ben vertrokken met mijn (gewone) fiets. Uiteraard is dit geen officiële verhuis, maar het is wel de eerste sprong. En het is het begin van mijn weg naar een minimalistisch leven. Op mijn kamer ben ik al mijn spullen aan het sorteren. Bij alles stel ik mezelf de vraag: heb ik hier écht iets aan? Ik twijfel voortdurend, maar toch voelt het goed.

Op een paar dagen tijd heb ik geleerd dat ik eigenlijk niet zoveel nodig heb en dat het leven zonder auto best haalbaar is. Ik moet wat meer stappen, wat meer fietsen, wat meer vloeken op het openbaar vervoer en wat meer liften, maar ik geraak waar ik moet zijn. Vrije momenten vul ik met schrijven, tekenen of doelloos voor me uit staren en dat helpt dan weer met mijn mentale toestand. Op een paar dagen tijd heb ik ook geleerd wat budgetteren is en dat het echt oké is om enkel water te drinken omdat je geen geld hebt voor andere zoete drankjes. Het is een eerste kleine sprong naar zelfstandigheid en het voelt goed. Het voelt ook eng en beklemmend en ongelooflijk kwetsbaar, maar meer dan dat alles voelt het goed.

Minimalisme, zoek het op. Niet omdat het ‘het antwoord’ is op alle levensvragen, wel omdat het een interessante manier van leven is; je weet nooit wat het je kan bijbrengen. Ik heb afgelopen jaar alleszins gemerkt dat ik bijzonder weinig spullen gekocht heb, gewoon omdat ik in mijn achterhoofd altijd die wens voor een ‘eenvoudiger’ leven had. De feiten zijn ook wat ze zijn. Als we aan dit tempo blijven produceren en consumeren, dan houdt de planeet het gewoon niet vol. En als we onszelf blijven wijsmaken dat nieuwe spullen, veel spullen, grote huizen en veel geld ons gelukkig maken, dan zullen de psychische problemen blijven bestaan, blijven toenemen. Als iedereen voor zichzelf al zou kunnen uitmaken wat écht waardevol is en wat écht bijdraagt tot het geluksgevoel, dan is dat al een stap in de goede richting. Stap twee zou dan zijn om daarnaar te handelen, elk op z’n eigen manier. Maar dat is mijn mening natuurlijk.

Hoe ik mijn diploma behaalde

Wanneer je aan het einde van je middelbare schoolcarrière komt, ben je meestal klaar voor iets nieuws. Bij sommigen is dat nieuwe hoofdstuk al duidelijk, voor anderen is het nog een zoektocht. De ene schrijft zich meteen in voor een studie aan de hogeschool of universiteit, de andere vertrekt op reis, nog anderen komen in een crisis terecht als een gevolg van hun besluiteloosheid wat hun toekomst betreft en een andere groep jongeren beslist het studeren voor bekeken te houden en gaat aan het werk.

Ik was zo één van die jongeren die heel duidelijk wist wat ze wou – of daar leek het toch op. Ik wou Taal- en Letterkunde (Nederlands-Engels) gaan studeren, zonder twijfel. Ik wist amper wat de richting inhield en ik deed weinig opzoekingswerk, want ik was zeker. En zo geschiedde. Ik schreef me in aan de Ugent en begon aan een nieuw hoofdstuk met de belofte dat ik me hier helemaal zou kunnen ontplooien. Mijn leerkrachten uit het middelbaar vertrouwden erop dat ik aan de universiteit een hoop zielsverwanten zou ontmoeten en dat ik ein-de-lijk mijn plek op deze wereld zou vinden.

Helaas. De onrust die ik in het middelbaar met me meedroeg, werd een monsterlijke paniek tijdens mijn eerste jaar. Het voelde alsof er iemand een gat in mijn borstkas had geslagen en dat alle lucht die ik inademde compleet verloren ging in die leegte. Het voelde als constant flauwvallen. Het voelde als eenzaamheid. Ik pendelde elke dag van mijn huis naar Gent: bus, trein, fiets. De enige weg die ik aflegde in Gent was van het station naar de Blandijn en van de Blandijn naar het station. De drukte in het station was moordend, de hoeveelheid volk in de auditoria sneed door mijn lijf. Ik was in elke les, maar ik was er nooit echt. Ik zat er gewoon, te strijden met mijn binnenste.

Maar, ik gaf niet op. In het tweede semester besloot ik aan al mijn professoren en docenten te laten weten dat ze mij niet zomaar mochten aanduiden om een antwoord te geven in de les, omdat de idee alleen al dat ik iets luidop zou moeten zeggen in een groep me een immense angst bezorgde. Door die angst functioneerde ik niet en was mijn aanwezigheid in de les eigenlijk zinloos. Al mijn professoren hielden er rekening mee; het touw rond mijn borstkas spande iets minder strak. Eén prof ging zelfs nog een stap verder. Op de dag waarop ik haar vertelde over mijn moeilijkheden kreeg ik een mailtje van haar. Ze schreef dat ze me moedig vond en dat ik haar altijd mocht contacteren als ik hulp nodig had. Ze maakte het mogelijk dat ik mijn presentaties in besloten groep mocht houden en niet voor de klasgroep. We hielden contact via mail en kruisten elkaar af en toe in de gangen. Het was niet veel, maar het verlichtte mijn pad.

Aan het einde van mijn tweede jaar was ik compleet gebroken, maar nog niet kapot. Er was altijd hoop. Ik begon aan mijn derde jaar met een nieuwe tactiek: management. Ik verspreidde mijn vakken zodat ik meer ademruimte kreeg. Ik nam al mijn lessen op met een dictafoon, zodat ik thuis alles kon herbeluisteren op mijn tempo. Het kostte me namelijk nog steeds veel moeite om gefocust te zijn in de les doordat ik me vaak zo onrustig voelde. Mijn punten stegen in een rechte lijn, mijn zelfvertrouwen groeide. Ik was heel open over mijn moeilijkheden bij mijn vrienden en zij reageerden met liefdevolle mildheid. Mijn audio-opnamen zorgden er ook voor dat veel studenten mij contacteerden: de mensen rondom me waren niet langer een gevaar. De Blandijnberg werd een thuis, Gent was niet langer onbekend terrein. Ik zat op kot en ook daar werd ik omringd door de liefste mensen die me steunden, elk op hun manier.

Waren er nog moeilijke momenten? Ja, constant. Elke dag zat vol uitdagingen, de paniekaanvallen waren nog steeds een realiteit. Maar er was ook die andere kant, er waren ook momenten van vrede en rust en aanvaarding. Ik contacteerde een studentenpsychologe, ik volgde de cursus ‘Verder met Angst’, ik ontmoette nieuwe mensen, ik schreef, ik behaalde mooie resultaten, ik leerde wat ‘ademruimte’ betekende en waarom het zo noodzakelijk is.

En nu? Nu ben ik afgestudeerd. Ik behaalde mijn diploma als Master in de Taal- en Letterkunde (Nederlands-Engels) met onderscheiding. Eerst was ik teleurgesteld, want ik had echt graag grote onderscheiding gehad. Na het lezen van het feedbackverslag van mijn thesispromotor echter, voelde ik voor het eerst een soort fierheid. Ik heb het toch maar mooi geflikt, niet? Heb ik nog moeilijke momenten? Tuurlijk! Ze zijn deel van mijn leven, deel van het leven. Maar er is altijd een weg, daar kan je vanop aan.

Ik ben niet alleen, was nooit alleen. Zoveel mensen ervaren dagelijks gelijkaardige en/of andere moeilijkheden. Als we er niet over praten, blijft het een eenzame strijd en duurt heling zoveel langer. Praten helpt. Daarom zwijg ik niet langer. Hopelijk praat iemand met me mee.

Veerkrachtige keuzes

Ik hou van het woord ‘veerkracht’. In tegenstelling tot het woord ‘draagkracht’, heeft veerkracht iets veel dynamischer en lichter. De term duidt het menselijke vermogen aan om zich aan te passen aan stress en tegenslagen. Met andere woorden: mensen met een hoge veerkracht ‘veren’ vlotter terug en laten dus minder snel de moed zakken. Bij mensen met een lage veerkracht bestaat de kans dat stress zich gaat opstapelen en dat elke tegenslag een extra gewicht wordt, waardoor de veer uiteindelijk knapt.

De hoeveelheid veerkracht waarover iemand beschikt, ligt niet vast. Mensen met een hoge veerkracht zijn niet onkwetsbaar, terwijl mensen met een lage veerkracht niet gedetermineerd zijn tot een leven vol stress en spanning. Veerkracht is een soort mentale spier die getraind kan worden en soms ja, soms zijn spieren moe terwijl ze anders zo krachtig zijn.

In april 2015 waren mijn veerkrachtige spieren compleet uitgeput. Ik herinner me nog altijd het moment onder de douche, na een intensieve work-out in de fitness. Ik liet het water over mij stromen, maar mijn lichaam deed niks meer. Ik kon alleen maar denken: ‘ik hou dit niet vol’. Maar ik hield vol. Ik begon een zoektocht naar die dingen die me een goed gevoel gaven en vermeed de dingen die de donkere energie in me aanwakkerden. Ik begon aan een extreme verandering in mijn leven en groeide terug op tot mijn meest veerkrachtige zelf. Een succesverhaal, dacht ik.

Maar je veerkracht wordt voortdurend getest. Het is een voortdurende zoektocht naar dat evenwicht tussen wat je kan dragen en waar je de grens trekt. Die zoektocht eindigt nooit. Net daarom is het belangrijk voortdurend aan je veerkracht te blijven werken. Hoe meer je traint, hoe sterker je staat op momenten dat het leven tegenslaat. Je zorgt dus enerzijds voor preventie en anderzijds voor ‘zelfzorg’ wanneer het donker is. Ook mijn veerkracht wordt de laatste tijd weer stevig op de proef gesteld en het kost me een hoop energie om te blijven trainen, te blijven oefenen. Gelukkig ben ik koppig genoeg.

Wat ik hier beschrijf, geldt niet alleen voor mensen met een bepaalde psychische kwetsbaarheid. Uiteraard kan het zijn dat zij hier bewuster werk van maken of een duidelijkere nood hebben, maar uiteindelijk is ‘veerkracht’ een begrip dat voor iedereen van toepassing is. Iedereen heeft een ‘mentale gezondheid’ en iedereen kan vroeg of laat getroffen worden door moeilijke gedachten, traumatische ervaringen en overweldigende emoties. Daarom dus: draag zorg voor jezelf en denk na over die dingen die je veerkracht kunnen versterken. Je kan alvast hier starten: www.fitinjehoofd.be.

Hoe ik terug sterker word? Door te bewegen. Hoe meer ik stilzit, hoe langer ik binnen blijf, hoe donkerder het wordt. Dus ik ging wandelen vandaag. Morgen doe ik hetzelfde. Beetje bij beetje, steeds verder en langer. Terug naar de rust, zodat ik weer meer kan dragen. Het begint altijd bij jezelf, ook al is het soms confronterend om dat te beseffen.

IMG_20180721_110304805

Waarom?

Vooraleer ik mij verder uitspreek over allerlei aspecten van psychisch welzijn in onze maatschappij, moet ik misschien eerst verduidelijken waarom ik hier überhaupt graag uitspraken over wil doen. Dit is niet zozeer een verantwoording, maar wel een persoonlijke inbreng die helpt bij het verduidelijken van mijn visie.

Ik ben drieëntwintig jaar op het moment dat ik deze blog begin. Ik ben vers afgestudeerd als Master in de Taal- en Letterkunde (Nederlands-Engels) en word nu dus officieel gedefinieerd als ‘werkzoekende’. Ik ga niet nodeloos in detail treden, maar afgelopen jaren zijn, hoe zal ik het zeggen, vermoeiend geweest. Als puber werd ik al met heel wat moeilijke momenten geconfronteerd, maar ook tijdens mijn jaren aan de universiteit kende ik heel wat dieptepunten. Paniekaanvallen waren/zijn een van de grote boosdoeners. Er waren momenten waarop ik verdronk en momenten waarop ik zwom, maar hoe dan ook: ik kreeg water binnen.

Naast de paniekaanvallen waren er uiteraard nog heel wat andere moeilijkheden, maar zoals ik al zei: ik ga niet nodeloos in detail treden. Een tijdje geleden ging ik in gesprek met iemand die onderzoek doet naar psychisch welzijn bij studenten. Ik deelde mijn ervaringen, zij deelde haar visie en de opzet van het onderzoek. Het klikte. Voor het eerst in mijn leven zei iemand tegen mij “wat een moedig verhaal” en ik geloofde haar. Ik besefte dat ik vanuit mijn persoonlijke ervaring misschien wel een meerwaarde kon zijn, dat ik met mijn verhaal iets te vertellen heb. En hier ben ik dus.

Ik moet toegeven dat dit alles heel dubbel voelt. Enerzijds wil ik graag heel eerlijk zijn over mezelf, omdat ik ervan overtuigd ben dat die eerlijkheid de illusie kan doorprikken dat het leven altijd een feest is. Uit onderzoek van de Vlaamse Jeugdraad blijkt trouwens ook dat veel jongeren inspiratie en motivatie halen uit verhalen van andere jongeren, dus in principe houdt niets me tegen. Anderzijds voel ik ook een bepaalde weerstand: wil ik mij op die manier presenteren, net wanneer ik aan het begin sta van een professionele carrière en mogelijke werkgevers dus moet overtuigen van mijn talenten? Gevoelsmatig zal het dubbel blijven, maar in de overtuiging dat mijn verhaal geen getuigenis is van een zwakte, maar net van een onverwoestbare kracht, kies ik ervoor om eerlijk te zijn – zonder nodeloos in detail te treden. Wekelijks deel ik ervaringen, meningen, overtuigingen en dromen met als overkoepelende thema het psychische welzijn van onze maatschappij. Stay tuned!

Wij zijn mensen. Wij mogen er zijn.

“Ik denk dat we het soms vergeten. Dat het oké is om te huilen, dat voelen bij dit leven hoort. Ik denk dat we zijn vergeten om te troosten” (Merel, 19 jaar).

De wereld is veranderd. Dat is niet negatief. Het gaat niet over ‘vroeger was alles beter’, het gaat niet over hoe technologie alles kapot maakt. Het is een feit: de wereld is veranderd. Maar de maatschappelijke ontwikkeling gaat volgens mij sneller dan dat de mens kan evolueren en daarom stuiten we op problemen. Problemen die wij als mens willen en kunnen oplossen. Eén van die problemen betreft de aanwezigheid van psychische aandoeningen en psychische kwetsbaarheid, maar ook de erkenning van het feit dat elk individu geconfronteerd wordt met moeilijkheden die gepaard kunnen gaan met (soms hevige) emoties.

Daar wil ik het over hebben. In de snelheid van de wereld gaat er soms veel connectie verloren. Gevoelens zoals verdriet, angst, eenzaamheid krijgen weinig bestaansrecht: iedereen weet dat iedereen huilt, dus doe het daarom niet te luid en niet te lang. Maar zo werkt het niet, ontdekken we nu. In gesprekken met leeftijdsgenoten hoor ik vaak dezelfde dingen: ja we zijn bang, ja we zijn alleen, ja we hebben verdriet, ja we zijn onzeker. Op hun gezicht lees ik niets; geen angst, geen eenzaamheid, geen verdriet en geen onzekerheid. Hoort het zo? Is het de bedoeling dat we ons verstoppen? Aangezien veel van die leeftijdsgenoten professionele hulp zoeken om hun leven te kunnen leven, vrees ik dat het antwoord ‘nee’ is.

Het is waar. Vroeger waren er geen burn-outs, hoogsensitievelingen, adhd-ers, persoonlijkheidsstoornissen. Of wel? Het is waar dat er meer namen bestaan en dat de maatschappij een bepaalde ‘psychologische bril’ heeft opgezet: een kind is niet druk, maar overprikkeld. En je zou kunnen beargumenteren dat kinderen en jongeren daardoor teveel betutteld worden. Ik volg die redenering deels. Ik voer geen pleidooi voor medelijden. Maar dit is onze maatschappij nu. Dit is de wereld waarin we leven. Dus laten we aan de slag gaan met wat we hebben: een hoop kinderen, jongeren en volwassenen met gevoelens die bestaansrecht hebben.

De maatschappij is naar mijn gevoel nog niet helemaal klaar voor zo’n hoop gevoelige mensen. Een idealist zou alles op alles zetten om die maatschappij te veranderen, maar volgens mij bestaat de maatschappij uit de mensen die ze omvat. Dus hoeft het zo groots niet. We moeten gewoon tools aanbieden. We moeten de mensen leren dat hun gevoelens er mogen zijn, dat ze erover kunnen communiceren, dat die gevoelens niet in de weg hoeven te staan van hun doelen, dromen, uitdagingen. En als we daar in slagen, dan hoop ik dat we evolueren naar een maatschappij die open staat voor de menselijkheid van haar inwoners. Rouw is geen ziekte, emotionele pijn is geen stoornis, vermoeidheid is geen zwakte, hoogsensitiviteit is geen gebrek. Wij zijn mensen. We mogen er zijn.